De produktiviteit van landbouw en veeteelt is gebaseerd op directe ingrepen in ecosystemen. Het gaat hier om ingrepen in het fysieke milieu van planten- en diersoorten, ingrepen in hun verspreidingsmogelijkheden en diversiteit en geleidelijke wijziging van biologische kenmerken ('veredeling') van voor domesticatie geselecteerde soorten. Alleen daardoor kon tot nog toe biomassa, geschikt voor menselijk gebruik, aan ecosystemen worden onttrokken in hoeveelheden die met de bevolkingsgroei min of meer gelijke tred hielden. Tegelijkertijd is een duurzame produktiviteit afhankelijk van de instandhouding van dezelfde ecosystemen waarbinnen de beoefenaren van open landbouw- en veeteeltsystemen hun activiteiten uitvoeren. Zij zijn bij uitstek afhankelijk van een stabiele bodemgesteldheid, soortenrijkdom, macro-klimatologische en atmosferische omstandigheden, waterhuishouding, mineralenkringlopen en dergelijke.
Daarin ligt een dilemma. Het staat nu vast dat die stabiliteit mede door de uitbreiding en intensivering van agrarische produktie, en de aard van de daarbij toegepaste methoden, is aangetast. De ernst van de agrarisch-ecologische problematiek in Nederland en de landen van de EG wordt algemeen erkend. Dat geldt evenzeer de effecten van de wereldhandel in agrarische produkten, grond- en hulpstoffen op ecosystemen hier en in andere delen van de wereld, met name in de ontwikkelingslanden. Daarom zal de aankomende generatie van Nederlandse agrariërs, nog meer dan de huidige, in de 30 tot 40 jaar van de uitoefening van het beroep te maken krijgen met deze problematiek en wel op alle niveaus van besluitvorming: van het individuele bedrijf tot de gehele sector, zowel nationaal als internationaal. De noodzakelijke keuzen zullen vaak, onvermijdelijk, ingrijpende consequenties hebben voor iedereen die een agrarisch, of met de agrarische sector verbonden, beroep uitoefent. De Structuurnota Landbouw erkent deze ontwikkeling.
